Operation Manual

46
NL
Diefstalbeveiliging
monteren (optioneel):
Bodemvochtigheids- of
regensensor aansluiten
(optioneel):
K
Een geprogrammeerde, automatische besproeiing wordt bij een
voldoende vochtige bodem of neerslag verhinderd. Onafhankelijk
daarvan blijft een manuele besproeiing altijd mogelijk.
Sensortoewijzingen:
a) Een sensor in aansluiting 1: sensor geldt alleen voor
ventiel 1
b) Een sensor in aansluiting 2: sensor geldt voor beide
ventielen
c) Sensor in aansluiting 1 en 2: sensor 1 geldt voor ventiel 1
sensor 2 geldt voor ventiel 2
1. Bodemvochtigheidssensor in de besproeiingszone
– of
1. regensensor buiten de besproeiingszone plaatsen.
2. Besturingsmodule
F
van de behuizing van de besproeiings-
computer aftrekken.
3. Sensor, evt. met verlengsnoer of adapter, aan de sensoraan-
sluiting
K
van de besproeiingscomputer aansluiten.
Sensor aanmelden:
Een sensor wordt automatisch na 60 sec. aangemeld. De sensor-
toewijzing
a
,
b
of
c
(pijl) en de actuele sensorstand dry (droog)/
wet (vochtig) wordt aangegeven.
Bijv. sensor 1 dry (droog) alleen voor ventiel 1
a
.
Sensor afmelden [Level 6]:
Wanneer zonder sensor dient te worden besproeid, terwijl tevoren
een sensor werd aangemeld, moet deze sensor eerst worden
afgemeld.
1. Sensor van de besproeiingscomputer lostrekken.
2. Menu-toets 5 keer indrukken [Level 6].
De sensortoewijzing
a
,
b
of
c
(pijl) en de actuele sensor-
stand
dry/wet
worden aangegeven.
3. OK-toets indrukken.
De sensor is afgemeld.
Voor de aansluiting van oudere sensors (met 2-polige stekkers)
is een GARDENA adapterkabel 1189-00.600.45 nodig, die bij
de GARDENA Service kan worden besteld.
Om uw besproeiingscomputer tegen diefstal te beveiligen kunt
u de GARDENA diefstalbeveiliging art. nr. 1815-00.791.00.00
via de GARDENA-service betrekken.
1. Klem
L
met de schroef
M
aan de achterzijde van de
besproeiingscomputer vastschroeven.
2. Klem
L
bijv. voor het vastzetten van een ketting gebruiken.
Als de schroef er eenmaal ingeschroefd is, kan hij niet meer
losgemaakt worden.
a b c
2.
3.
L
M